
In De Standaard dook Frédéric De Gucht op waar Vlaamse politici al generaties graag opduiken: op café. Het decor waarin politici laten zien dat ze nog weten hoe een gewone mens eruitziet. Zijn tournee heet veelzeggend “Op café met FDG”. In Roeselare toonde hij zich met een Rodenbach in de hand.
“Normaal gezien heb ik geen kostuum aan, maar ik moest deze namiddag naar de ceo van Nike en ik heb mij niet meer kunnen omkleden.”
Deze quote is ook veelzeggend, alsof informele kleding het uniform van het gewone volk is en een kostuum zou vloeken met een café-setting. Voor de jacht op hun stem zijn informele kleding en bier de camouflage om te blenden met het plebs. Frédéric De Gucht mag dan uitroepen dat hij geen klassieke politicus is, hij volgt wel een decennia-oud draaiboek.
De Gucht is natuurlijk niet de eerste, zijn partijgenoot Alexander De Croo trok na het stemmen in Brakel op café. Zo heb je talrijke voorbeelden, van ogenschijnlijk spontaan café-bezoek voor het oog van de pers en sociale media. In Duitsland is oud-kanselier Gerhard Schröder een berucht voorbeeld en in het UK speelde Boris Johnson gretig in op zijn imago als gezellige drinker tijdens pubsessies met zijn kiezers.
Bier doet het immers zeer goed in politieke communicatie. Wijn roept sneller beelden op van afstand, recepties en besloten salons. Bier draagt eenvoud, streekgevoel en ongedwongen gezelligheid in zich. Wie een lokaal bier drinkt, zoals Rodenbach in Roeselare, toont zich één met de omgeving en met de lokale tradities. Een pint in de hand brengt het signaal: ik ben benaderbaar, ik kom onder de mensen, ik praat niet alleen met studiediensten en kabinetschefs, ik luister ook naar wie aan de toog zijn gedacht zegt, … .
Vlaamse politiek is lang verweven geweest met achterzalen, volkshuizen, parochiale cafés en partijbijeenkomsten waar het formele en informele door elkaar liepen. “Tussen pot en pint” werd er gelachen, afgetoetst, plooien gladgestreken, beloofd en beklonken.
Toen ik als zelfstandige consultant aan de slag was gaf ik mijn Nederlandse collega’s steeds de raad om nooit een uitnodiging om “nog iets te gaan drinken” af te slaan. In onze cultuur zit het namelijk ingebakken om na de formele vergadering, in een informele setting nog door te bomen over het onderwerp en zelfs zaken te beslissen, te “beklinken”. Een informeel akkoord wordt nog vaak bezegelt met een handdruk en het tegen elkaar tikken van de glazen. Toch verwijst de etymologie van “beklinken” niet naar het klinken van de glazen, wel naar “vastmaken”, zoals je met “klinknagels” doet.
Het parlement kende die logica eveneens: bier en andere alcohol in de koffiekamer van de Kamer werden ooit verdedigd als een manier om parlementsleden binnen de muren te houden, weg van de cafés rond het parlement waar stemmingen konden worden gemist en gesprekken konden uitlekken. Wouter Beke verdedigde dat in 2024 nog als een laatste vorm van collegialiteit tussen links en rechts, Vlamingen en Walen.
Het is niet toevallig dat onze Belgische biercultuur officieel erkend werd als immaterieel cultureel erfgoed door UNESCO. Die erkenning gaat over brouwen, schenken en proeven, maar evenzeer over de sociale rol van bier in cafés, verenigingen, feesten en lokale gemeenschappen. Bier staat hier vaak midden in de publieke ruimte.
Deze informele nabijheid kan democratisch werken, maar hier merk je ook het probleem van een gebrek aan transparantie. Wat aan de toog wordt “afgeklopt”, ontsnapt vaak aan mogelijke tegenspraak en bestuurlijke controle. De gezelligheid van een pint maakt macht menselijker, maar maakt macht ook minder controleerbaar. Het alcoholverbod in de cafetaria van de Kamer in 2025 raakte daarom aan meer dan bedrijfshygiëne. Het stelde de vraag waar politiek thuishoort: in publieke procedures, in informele rituelen of ergens in het schemergebied daartussen.
Toch is dit geen typisch Belgisch fenomeen. Zo organiseerde Barack Obama in 2009 zijn beroemde “beer summit” na een incident rond racial profiling. De ontmoeting in de Rose Garden moest de gemoederen bedaren in deze zeer gevoelige zaak, die voor grote maatschappelijke polarisatie zorgde. Het bier fungeerde hier als diplomatiek ritueel om een gesprek opnieuw mogelijk te maken. Barack Obama had wel iets met bier, want tijdens zijn campagne organiseerde hij bierrecepties en in 2011 liet hij zelfs een eigen White House Honey Ale brouwen. Donald Trump daarentegen, als geheelonthouder, zocht andere manieren om aansluiting te vinden bij “Joe Sixpack”.
Bier is niet enkel een politiek instrument, brouwers hebben sinds de oudheid politiek gebruikt om hun belangen te behartigen. Van Mesopotamië, over de Gruutrechten, het Reinheitsgebot naar de brouwer-burgemeesters in de negentiende eeuw. Terwijl wijn in essentie een agrarisch product is, is bier veel meer een culturele constructie die mee gevormd werd door geschiedenis, wetgeving, conflicten en economische machtsverhoudingen.
Het is dan ook niet toevallig dat ook in de Europese politiek bier sterk verweven zit met belangenbehartiging. De European Parliament Beer Club, vandaag ruimer gepositioneerd als European Beer Group, werd opgericht in 1995 als forum voor dossiers die de brouwerijsector raken. Het klinkt als een gezellige club, maar hun missie is toch vooral beleidsbeïnvloeding. De gespreksonderwerpen gaan immers over accijnzen, etikettering, reclame en volksgezondheid.
Of je nu de harten van de brouwers of van de kiezers wil winnen, die pint zal voor jou het werk niet doen. Mensen voelen immers doorgaans scherp aan wanneer ze de decorstukken worden bij een opvoering op café.
Nee, een politicus met een pint in de hand is nooit een toevallig of spontaan gebeuren wanneer een fotograaf of smartphone in de buurt is. Nee, bier moet je niet drinken om als een authentieke politicus over te komen. Van bier moet je genieten. Als je liever een wijntje, een koffie of een kombucha drinkt, doe gerust, ook voor de camera.