
In zijn artikel “Vrij en open is het antwoord op Big Tech” in Apache legt Jan Walraven iets pijnlijk bloot wat al te vaak onder het tapijt wordt geveegd: Europa is digitaal niet afhankelijk, maar digitaal onderworpen. Niet door brute dwang, wel door gemak, inertie en een hardnekkige mythe dat schaal en geslotenheid synoniem zijn van professionaliteit.
Wie mijn blog de voorbije jaren volgde, zal in het Apache-stuk weinig revolutionairs lezen. Integendeel. Het bevestigt vooral wat al langer zichtbaar is voor wie met informatiebeleid, digitale transformatie of publieke IT bezig is: het probleem is niet technologisch, maar politiek-economisch.
Technologische soevereiniteit is geen productstrategie
Wat Apache scherp benoemt, is dat “technologische soevereiniteit” vandaag vaak gereduceerd wordt tot een slogan. Alsof je dat bereikt door een Europese variant van Google, Microsoft of Amazon te bouwen. Alsof het probleem Amerika is en niet het Big-Tech-model zelf: gesloten ecosystemen, lock-in, extractie van data en macht, en een informationele asymmetrie die haaks staat op democratische controle.
Dat denken is exact dezelfde denkfout die ik in tal van IT-projecten zie terugkeren: schaal verwarren met robuustheid en controle met centralisatie. Het resultaat kennen we intussen maar al te goed: white elephants, mislukte platformen, projecten die technisch “af” zijn maar organisatorisch dood aankomen.
Open source is een andere informatie-architectuur
Open source is in dat verhaal geen romantisch alternatief voor idealisten met sandalen. Het is een andere informatie-architectuur. Eén die beter aansluit bij hoe kennis ontstaat, circuleert en geborgd wordt in complexe organisaties en samenlevingen.
“Open” betekent hier niet: iedereen doet maar wat. Het betekent: transparantie, herbruikbaarheid, auditability en – cruciaal – exit-mogelijkheden. Dat laatste wordt systematisch onderschat. Vendor lock-in is zelden een bewuste keuze; het is bijna altijd het gevolg van korte-termijnoptimalisatie, of moeten we zeggen kortzichtige optimalisatie.
Apache raakt hier een punt dat ik al langer probeer te maken: open source is geen anti-marktoplossing, maar een anti-monopolistisch model. Dat techreuzen meeliften op open source is geen bug, het is een logisch gevolg van “open betekent open”. Het probleem ontstaat pas wanneer overheden en publieke instellingen afhankelijk worden van gesloten lagen bóvenop die open fundamenten.
Commons in plaats van unicorns
De voorbeelden die Apache aanhaalt – Nextcloud, LaSuite, openDesk, Matrix – zijn geen exotische experimenten meer. Het zijn werkende infrastructuren, gedragen door commons-logica, met publieke regie en private uitvoering. Niet schaal om de schaal, maar schaal door samenwerking. Geen unicorn-fetisj, maar duurzaamheid.
En laat ons eerlijk zijn: als we in Europa wél miljarden kunnen vrijmaken voor defensie, maar niet voor digitale infrastructuur die onze democratie, ons onderwijs en onze publieke dienstverlening ondersteunt, dan is dat geen technisch falen. Dat is een politieke keuze.
Het meest veelzeggende zinnetje in het Apache-stuk staat bijna terloops vermeld: “Opensourcesoftware kán niet gekocht worden.” Dat is geen detail, dat is een systeemkenmerk. En precies daarom is open source zo ongemakkelijk voor wie macht, data en besluitvorming wil concentreren.
België: klein land, grote open-source-voetafdruk
Wat in het debat over digitale soevereiniteit opvallend vaak vergeten wordt, is dat België zelf al decennialang een niet te onderschatten rol speelt in de ontwikkeling van open technologie. Open source is hier geen exotische import, maar deels lokaal erfgoed. Denk aan Drupal, dat wereldwijd miljoenen websites aandrijft en werd bedacht door Dries Buytaert toen hij nog student was in Antwerpen. Of aan Odoo, het open ERP-platform van de Belgische ondernemer Fabien Pinckaers, vandaag actief bij honderdduizenden bedrijven wereldwijd en een schoolvoorbeeld van hoe open source en economische levensvatbaarheid perfect kunnen samengaan.
Het punt is niet dat België uitzonderlijk is. Het punt is dat dit bewijst dat open source geen schaalnadeel heeft, geen Angelsaksisch privilege is en geen hobby voor idealisten. Het is een volwassen ontwikkelmodel waarin ook kleinere landen impact kunnen hebben, zolang ze inzetten op kennis, samenwerking en open ecosystemen in plaats van op prestigeprojecten en gesloten oplossingen. Wie vandaag beweert dat Europa of België “te klein” zou zijn voor digitale autonomie, negeert zijn eigen geschiedenis.
De vraag is dus niet of Europa klaar is voor vrije en open software.
De vraag is waarom we nog altijd doen alsof het een keuze is.










