Waarom meer data (én AI) onze organisaties dommer maken

In maart 2020 barstte de coronacrisis in Europa helemaal los. In Bern, in de gangen van het Zwitserse Bundesamt für Gesundheit zocht iedereen naar cijfers. Hoeveel besmettingen? Hoeveel ziekenhuisopnames? Hoeveel overlijdens?

Er was nochtans data, véél data, maar die zaten verspreid over dashboards van kantonnale gezondheidsdiensten, rapportages van ziekenhuizen, e-mails met excel-bestanden, persoonlijke verlagen, updates via informele kanalen, … Maar nergens was er één helder, gedeeld overzicht. Zwitserland had jarenlang geïnvesteerd in gezondheidsdata op kantonnaal niveau. Elk kanton had eigen systemen, eigen rapportagevormen en eigen routines.

De Zwitserse journaliste Adrienne Fichter beschreef hoe medewerkers van het BAG spraken over een “papieren strijd zoals in een film uit de jaren tachtig”. Formulieren kwamen binnen via fax of post, gegevens moesten manueel worden overgetikt en om het aantal nieuwe besmettingen in te schatten, werden stapels formulieren letterlijk op een weegschaal gelegd. In sommige gevallen vernamen medewerkers via de pers of Wikipedia hoeveel patiënten overleden of genezen waren. Slechts bij ongeveer 30 procent van de positieve tests beschikte het BAG over aanvullende patiëntinformatie (Fichter, 2020).

Ook latere analyses wezen op dezelfde kwetsbaarheid: gefragmenteerde rapportagesystemen, trage samenvoeging van nationale gegevens en een beperkte mogelijkheid om de epidemiologische realiteit in real time te volgen. Zwitserland ontwikkelde wel digitale initiatieven, zoals de SwissCovid-app, maar de bredere infrastructuur voor geïntegreerd gezondheidsinformatiemanagement bleef een pijnpunt (Daniore et al., 2022 en Signorell & Demuth, 2022).

Deze case is exemplarisch voor een veel grotere “epidemie”. Elke organisatie kent wel de volgende uitdagingen: de gedeelde map waarin niemand nog de juiste versie vindt, de mailbox waarin beslissingen begraven liggen, de chat waarin cruciale afspraken verdwijnen tussen emoji’s en leukigheden, het rapport dat bestaat, maar dat niemand kent, het dashboard met twijfelachtige data, de medewerker die weet hoe het zit, maar volgende maand met pensioen gaat, …

Uit onderzoek blijkt al langer dat kenniswerkers een aanzienlijk deel van hun tijd verliezen aan het zoeken naar informatie. Guus Pijpers beschreef dat probleem uitvoerig in zijn werk rond informatiegedrag (Pijpers, 2006). McKinsey becijferde in 2012 dat sociale technologieën de productiviteit van kenniswerkers met 20 tot 25 procent kunnen verhogen, precies omdat er zoveel waarde verloren gaat in gebrekkige communicatie, slechte kennisdeling en versnipperde samenwerking (Chui & Manyika, 2012). Ook recenter onderzoek naar enterprise search en knowledge AI vertrekt van dezelfde vaststelling: medewerkers verliezen veel tijd omdat informatie verspreid zit over te veel systemen en te weinig context meekrijgt (Pryon, 2024).

Dat inzicht is niet nieuw. Barnaby Rich klaagde al in 1613 dat er meer boeken verschenen dan iemand ooit kon lezen. Hij leefde in de nasleep van de drukpersrevolutie, toen kennis plots veel sneller en goedkoper kon circuleren. Wat vandaag voor ons de mailbox, de cloudmap, Teams-chat of dashboard is, was toen het pamflet, het boek en de drukpers. De technologie mag dan veranderd zijn, de uitdagingen blijven dezelfde.

Ook Seneca waarschuwde al dat het lezen van te veel boeken/boekrollen de geest onrustig en stuurloos kan maken. . Hij verdedigde traagheid, selectie en verdieping tegen de verleiding van oppervlakkige veelheid (Seneca, Letters from a Stoic). Montaigne zou later een gelijkaardige houding aannemen: wijsheid zit niet in alles verzamelen, maar in leren oordelen. Massa’s data zonder context zorgt enkel voor verwarring en besluitloosheid.

In de negentiende eeuw richtte Henry David Thoreau zijn pijlen op de telegraaf. Hij schreef in Walden dat men haastig een magnetische telegraaflijn wilde bouwen van Maine naar Texas, terwijl Maine en Texas misschien niets belangrijks te melden hadden (Thoreau, Walden). Dat is misschien één van de vroegste en scherpste kritieken op communicatietechnologie: snelheid is geen kwaliteit. Een sneller kanaal maakt een boodschap niet relevanter.

Herbert Simon vatte het in de twintigste eeuw bijna mathematisch samen: “A wealth of information creates a poverty of attention.” In een wereld met overvloedige informatie wordt aandacht de schaarse grondstof (Simon, geciteerd in Hal Varian, The Information Economy).

Organisaties hebben geen dataprobleem, ze hebben een aandachtsprobleem, een filterprobleem en een betekenisprobleem.

Generatieve AI zal dit probleem niet automatisch oplossen, maar kan fungeren als een intelligente laag bovenop die versnipperde informatieomgeving. Ze kan documenten samenvatten, patronen herkennen, informatie uit verschillende bronnen combineren, vergaderingen doorzoekbaar maken, concepten clusteren, beslissingen voorbereiden en medewerkers helpen sneller de juiste informatie te vinden.

De keerzijde is dat AI bovenop een chaotische informatiehuishouding, de rommel net iets overtuigender zal verpakken. Als documenten verouderd zijn, metadata ontbreken, versies door elkaar lopen of toegangsrechten slecht beheerd worden, zal AI niet plots betrouwbare kennis produceren. Ze kan hallucineren, bronnen verkeerd interpreteren, gevoelige informatie blootleggen of oude fouten opnieuw laten circuleren in een nieuw, glad taaljasje. Een chatbot bovenop slecht beheerde documenten is geen kennismanagement, het wordt een random nonsens-verspreider met een vriendelijke interface.

Daarom vraagt AI niet minder, maar juist méér informatiebeleid. Organisaties die AI willen inzetten tegen information overload moeten eerst weten welke bronnen betrouwbaar zijn, wie eigenaar is van welke informatie, welke data mogen worden gebruikt, welke informatie verouderd is, welke context noodzakelijk is en waar menselijke controle verplicht blijft.

De Zwitserse overheid had tijdens de eerste coronagolf niet vooral nood aan nog een AI-dashboard. Ze had nood aan betrouwbare datastandaarden, gedeelde processen, duidelijke verantwoordelijkheden en systemen die informatie niet alleen opslaan, maar ook contextualiseren en dissemineren.

De belangrijkste les is immers dat beschikbare data pas strategische informatie wordt wanneer ze kan circuleren, connecteren, context krijgt en tot handelen leidt.

AI kan de informatie-overload verlichten, maar die ook laten escaleren. Het verschil tussen beide heet informatiebeleid. En dat informatiebeleid heeft een klassieke kern: metadata, eigenaarschap, bewaartermijnen, duidelijke informatiestromen, kwaliteitscontrole, toegangsbeheer, gemeenschappelijke definities en afspraken over waar informatie thuishoort.

Informatiebeleid is de discipline die ervoor zorgt dat de juiste informatie, in het juiste formaat, op het juiste moment, bij de juiste persoon terechtkomt, zodat de organisatie daadwerkelijk wijzer en handelingsbekwamer wordt. Dat klinkt eenvoudig, tot de crisis begint. Wie in normale tijden geen informatiebeleid heeft, ontdekt in crisistijd meestal dat er vooral veel bestanden zijn.

Geplaatst in Artificiële intelligentie, Beleid en politiek, Informatiemanagement | Tags: , , , , | Plaats een reactie

AI heeft de fraude niet uitgevonden. Het heeft ze gedemocratiseerd.

Foto door Andrea De Santis op Pexels.com

Bij de zoveelste discussie over AI in het onderwijsreglement voelde ik de neiging opkomen om even met de handrem op te spreken. Precies omdat AI belangrijk is, moeten we vermijden dat we doen alsof het onderwijs vóór ChatGPT een soort pastorale zuiverheid kende, waarin elke paper, elke taak en elk examen rechtstreeks uit de onbezoedelde ziel van de lerende kwam neergedaald.

Dat was natuurlijk niet zo.

AI heeft bij evaluatiemomenten, niets wezenlijks veranderd. Ze heeft vooral gezorgd voor de democratisering van fraude. Wat vroeger ongelijk verdeeld was, is nu voor bijna iedereen bereikbaar geworden. De gegoede klasse had altijd al hulpmiddelen. Een hoogopgeleide ouder die een paper “even naleest” en ondertussen driekwart herschrijft. Een oudere broer die goed is in wiskunde. Een nicht die toevallig journalist is. Een netwerk dat weet hoe je een opdracht leest, hoe je een leraar inschat, hoe je academisch klinkt zonder noodzakelijk academisch te denken.

En dan hebben we het nog niet over de gadgets: slimme horloges, dure rekenmachines, software, bijlessen, taalcoaching, professionele begeleiding. Voor wie middelen, netwerk en cultureel kapitaal had, was evaluatie nooit een volledig gelijk speelveld. Voor wie dat allemaal niet had, de kneusjes, zoals we ze liefdevol en eerlijk kunnen noemen, bleef meestal alleen de eigen kop over.

Daar wringt het. Zodra iedereen toegang krijgt tot een hulpmiddel dat vroeger impliciet voorbehouden was aan wie de juiste mensen kende, noemen we het plots een crisis. Vroeger knepen we een oogje dicht, omdat de ongelijkheid netjes verpakt zat in familiaal toeval, sociale klasse en zogenaamd normale ondersteuning. Nu dezelfde ondersteuning uit een tekstvenster komt, roepen we om verbodsbepalingen, detectietools en reglementaire bijlagen met de charme van een verzekeringspolis.

De reflex om het gebruik van AI juridisch dicht te timmeren, mist de kern van het probleem. Evaluaties zijn blijkbaar voorspelbaar, reproduceerbaar of oppervlakkig genoeg om een generiek taalmodel er probleemloos doorheen te laten fietsen. Als een opdracht perfect door ChatGPT kan worden opgelost, is dit vooral een teken van didactische luiheid.

Wie een verpleegkundige handeling moet kunnen uitvoeren, moet die niet “ongeveer kunnen prompten”. Wie een taal leert, moet kunnen spreken, luisteren, schrijven en begrijpen. Wie een beroepskwalificatie behaalt, moet meer aantonen dan de vaardigheid om een chatbot beleefd toe te spreken.

Ruben Verborgh zegt het al langer scherper en beter: we moeten stoppen met studenten af te schermen van een realiteit waarin AI bestaat. Zijn open-boek, open-internet en open-AI-examen (die hij in alle openheid deelt op LinkedIn) legt de nadruk op oordeelsvermogen, combineren, interpreteren, bijsturen, uitleggen en verdedigen.

De echte uitdaging voor onderwijs is dus om evaluatievormen te ontwerpen waarin het gebruik van hulpmiddelen normaal is, terwijl eigenaarschap, begrip en bekwaamheid zichtbaar blijven. AI volledig buitenhouden lukt toch niet, tenzij we cursisten voortaan evalueren in een bunker met potlood, papier en een cipier met pedagogisch bekwaamheidsbewijs.

Betere evaluatie kan verschillende vormen aannemen. Mondelinge toelichting koppelen aan schriftelijke opdrachten. Procesbewijzen vragen: tussenversies, reflecties, keuzes, fouten, bijsturingen. Authentieke casussen gebruiken die aansluiten bij de leercontext. Opdrachten persoonlijker, lokaler of praktischer maken. In sommige gevallen AI expliciet toelaten en de kwaliteit van het gebruik mee beoordelen.

AI verplicht ons om beter te evalueren. Strenger in de betekenisvolle zin van het woord: scherper, eerlijker, bewuster en minder gemakzuchtig.

Misschien is dat de nuttigste les van deze hele discussie. AI heeft de fraude niet uitgevonden. Het heeft onze oude blindheid geautomatiseerd, opgeschaald en netjes in een tekstvak gezet.

Geplaatst in Artificiële intelligentie, Onderwijs | Tags: , , , | Plaats een reactie

De pint als politieke camouflage

White House, Public domain, via Wikimedia Commons

In De Standaard dook Frédéric De Gucht op waar Vlaamse politici al generaties graag opduiken: op café. Het decor waarin politici laten zien dat ze nog weten hoe een gewone mens eruitziet. Zijn tournee heet veelzeggend “Op café met FDG”. In Roeselare toonde hij zich met een Rodenbach in de hand.

“Normaal gezien heb ik geen kostuum aan, maar ik moest deze namiddag naar de ceo van Nike en ik heb mij niet meer kunnen omkleden.”

Deze quote is ook veelzeggend, alsof informele kleding het uniform van het gewone volk is en een kostuum zou vloeken met een café-setting. Voor de jacht op hun stem zijn informele kleding en bier de camouflage om te blenden met het plebs. Frédéric De Gucht mag dan uitroepen dat hij geen klassieke politicus is, hij volgt wel een decennia-oud draaiboek.

De Gucht is natuurlijk niet de eerste, zijn partijgenoot Alexander De Croo trok na het stemmen in Brakel op café. Zo heb je talrijke voorbeelden, van ogenschijnlijk spontaan café-bezoek voor het oog van de pers en sociale media. In Duitsland is oud-kanselier Gerhard Schröder een berucht voorbeeld en in het UK speelde Boris Johnson gretig in op zijn imago als gezellige drinker tijdens pubsessies met zijn kiezers.

Bier doet het immers zeer goed in politieke communicatie. Wijn roept sneller beelden op van afstand, recepties en besloten salons. Bier draagt eenvoud, streekgevoel en ongedwongen gezelligheid in zich. Wie een lokaal bier drinkt, zoals Rodenbach in Roeselare, toont zich één met de omgeving en met de lokale tradities. Een pint in de hand brengt het signaal: ik ben benaderbaar, ik kom onder de mensen, ik praat niet alleen met studiediensten en kabinetschefs, ik luister ook naar wie aan de toog zijn gedacht zegt, … .

Vlaamse politiek is lang verweven geweest met achterzalen, volkshuizen, parochiale cafés en partijbijeenkomsten waar het formele en informele door elkaar liepen. “Tussen pot en pint” werd er gelachen, afgetoetst, plooien gladgestreken, beloofd en beklonken.

Toen ik als zelfstandige consultant aan de slag was gaf ik mijn Nederlandse collega’s steeds de raad om nooit een uitnodiging om “nog iets te gaan drinken” af te slaan. In onze cultuur zit het namelijk ingebakken om na de formele vergadering, in een informele setting nog door te bomen over het onderwerp en zelfs zaken te beslissen, te “beklinken”. Een informeel akkoord wordt nog vaak bezegelt met een handdruk en het tegen elkaar tikken van de glazen. Toch verwijst de etymologie van “beklinken” niet naar het klinken van de glazen, wel naar “vastmaken”, zoals je met “klinknagels” doet.

Het parlement kende die logica eveneens: bier en andere alcohol in de koffiekamer van de Kamer werden ooit verdedigd als een manier om parlementsleden binnen de muren te houden, weg van de cafés rond het parlement waar stemmingen konden worden gemist en gesprekken konden uitlekken. Wouter Beke verdedigde dat in 2024 nog als een laatste vorm van collegialiteit tussen links en rechts, Vlamingen en Walen.

Het is niet toevallig dat onze Belgische biercultuur officieel erkend werd als immaterieel cultureel erfgoed door UNESCO. Die erkenning gaat over brouwen, schenken en proeven, maar evenzeer over de sociale rol van bier in cafés, verenigingen, feesten en lokale gemeenschappen. Bier staat hier vaak midden in de publieke ruimte.

Deze informele nabijheid kan democratisch werken, maar hier merk je ook het probleem van een gebrek aan transparantie. Wat aan de toog wordt “afgeklopt”, ontsnapt vaak aan mogelijke tegenspraak en bestuurlijke controle. De gezelligheid van een pint maakt macht menselijker, maar maakt macht ook minder controleerbaar. Het alcoholverbod in de cafetaria van de Kamer in 2025 raakte daarom aan meer dan bedrijfshygiëne. Het stelde de vraag waar politiek thuishoort: in publieke procedures, in informele rituelen of ergens in het schemergebied daartussen.

Toch is dit geen typisch Belgisch fenomeen. Zo organiseerde Barack Obama in 2009 zijn beroemde “beer summit” na een incident rond racial profiling. De ontmoeting in de Rose Garden moest de gemoederen bedaren in deze zeer gevoelige zaak, die voor grote maatschappelijke polarisatie zorgde. Het bier fungeerde hier als diplomatiek ritueel om een gesprek opnieuw mogelijk te maken. Barack Obama had wel iets met bier, want tijdens zijn campagne organiseerde hij bierrecepties en in 2011 liet hij zelfs een eigen White House Honey Ale brouwen. Donald Trump daarentegen, als geheelonthouder, zocht andere manieren om aansluiting te vinden bij “Joe Sixpack”.

Bier is niet enkel een politiek instrument, brouwers hebben sinds de oudheid politiek gebruikt om hun belangen te behartigen. Van Mesopotamië, over de Gruutrechten, het Reinheitsgebot naar de brouwer-burgemeesters in de negentiende eeuw. Terwijl wijn in essentie een agrarisch product is, is bier veel meer een culturele constructie die mee gevormd werd door geschiedenis, wetgeving, conflicten en economische machtsverhoudingen.

Het is dan ook niet toevallig dat ook in de Europese politiek bier sterk verweven zit met belangenbehartiging. De European Parliament Beer Club, vandaag ruimer gepositioneerd als European Beer Group, werd opgericht in 1995 als forum voor dossiers die de brouwerijsector raken. Het klinkt als een gezellige club, maar hun missie is toch vooral beleidsbeïnvloeding. De gespreksonderwerpen gaan immers over accijnzen, etikettering, reclame en volksgezondheid.

Of je nu de harten van de brouwers of van de kiezers wil winnen, die pint zal voor jou het werk niet doen. Mensen voelen immers doorgaans scherp aan wanneer ze de decorstukken worden bij een opvoering op café.

Nee, een politicus met een pint in de hand is nooit een toevallig of spontaan gebeuren wanneer een fotograaf of smartphone in de buurt is. Nee, bier moet je niet drinken om als een authentieke politicus over te komen. Van bier moet je genieten. Als je liever een wijntje, een koffie of een kombucha drinkt, doe gerust, ook voor de camera.

Geplaatst in Beleid en politiek, Bier | Tags: , , | Plaats een reactie

Bier laat zich niet in een keurslijf gieten

Lodewijk van Gruuthuuse
Master of Portraits of Princes, Public domain, via Wikimedia Commons

Aanvankelijk was het brouwproces een huiselijke activiteit die door vrouwen werd uitgevoerd, maar wordt vanaf de 12de eeuw steeds meer een handelsproduct. Volgens bierhistoricus R.W. Unger markeert dit een machtsverschuiving in de samenleving. Bier wordt te belangrijk om een huiselijke activiteit te blijven en raakt verstrikt in regelgeving, accijnzen en institutionele controle.

Stedelijke overheden leggen bierverordeningen op, officieel vanuit de bezorgdheid voor kwaliteit en volksgezondheid, maar onderliggend was er de wil tot fiscale opbrengsten en politieke controle. Zo ontstaan brouwersgilden, die in de geschiedschrijving vaak als trotse ambachtsorganisaties worden voorgesteld, in de praktijk functioneerden ze vooral als tussenschakel tussen bestuur en producent. Wie lid is, geniet bescherming, wie buiten valt, zoals vrouwen, kleine brouwers, plattelandsproducenten, verdwijnt uit het zicht en uiteindelijk uit de markt.

In het 13de eeuwse Engeland werd via de Assize of bread and ale de prijs en kwaliteit van de graanproducten, dus ook het bier, gereguleerd. Deze regelgeving bepaalde ook wie bier mocht verkopen. Dat waren in de praktijk vaak (alleenstaande) vrouwen: de zogenaamde alewives. Zij weigerden zich neer te leggen bij deze regelgeving en brouwden, ondanks de straffen, koppig door. Tot de alewife verdwijnt uit het ambacht en met haar de vrouwelijke economische autonomie.

In de Vlaamse steden, vooral in Gent, was het vanaf de late middeleeuwen nooit rustig. In de Bourgondische periode (15e eeuw) zorgden ondermeer de accijnzen op gruit (of gruut) voor de nodige spanningen. Dat met gruutrechten veel geld te verdienen viel, kunnen we nog steeds bewonderen in het Gruuthuse-museum in Brugge. Lodewijk van Gruuthuse bouwde, als vertrouweling van Filips de Goede,  een fortuin op met zijn monopolie op de gruutrechten.

In het Keulen van de 14e eeuw is het gebruik van hop een daad van ongehoorzaamheid. Hop werd gebruikt als alternatief om onder het dure stedelijke gruut-monopolie uit te komen. De  aartsbisschop laat hop verbieden, maar de brouwers gehoorzamen niet. Ze brouwen ’s nachts, buiten de stadsmuren en verkopen via herbergiers, die mee in het complot zitten. 

Zoals het vaak gaat met koppige gebruiken, worden die uiteindelijk omgezet in wetten. De aanhoudende revoltes tegen de gruut-monopolies laten de gezagsdragers in het Heilige Roomse Rijk het geweer van schouder veranderen en kiezen ze, onder het motto “if you can’t beat them join them”, voor hop. 

In 1516 vaardigen de hertogen van Beieren een ordonnantie uit die later zou uitgroeien tot een van de meest mythische wetten uit de biergeschiedenis. Met kwaliteit en volksgezondheid als excuus mag bier voortaan alleen nog bestaan uit water, gerst en hop. Het Reinheitsgebot was geboren. 

Door ingrediënten te beperken tot water, gerst en hop worden regionale tradities en alternatieve praktijken illegaal. Wat ooit een daad van verzet was, namelijk het gebruik van hop, wordt geïnstitutionaliseerd en gecontroleerd. Verzet werd ingekapseld en herschreven als traditie.

Geplaatst in Bier, Geschiedenis | Tags: , | Plaats een reactie

De vloek van digitale transformatie

… het menselijke falen in IT-Projecten

Afgelopen vrijdag mocht ik op de Ledendag van de VVBAD in Kortrijk spreken over de vraag: waarom mislukken zoveel IT-projecten?

Afgelopen maanden kwamen zowel onderwijs, politie als justitie hiervoor in het nieuws.

Het patroon is nochtans opvallend voorspelbaar. Beleidsmakers voelen dat de organisatie kraakt, processen stroef lopen en de performantie achteruitgaat. Dan volgt de klassieke aha-erlebnis: technologie zal het oplossen. Er komt een lastenboek, een consultant, en een demo met een glimmend verkoopverhaal. Voor je het weet is een operationeel probleem omgetoverd tot een prestigieus transformatieproject.

Wie denkt dat dit een typisch Belgisch probleem is of een kwaal van de overheid, vergist zich. In een vorige blogpost ging ik in op de cijfergegevens, die je terugvindt in internationale rapporten. Het blijft een structureel patroon. Natuurlijk spelen slechte architectuur, vendor lock-in, scope creep, onrealistische planningen en onderschatte complexiteit een rol. Die factoren verklaren echter slechts een deel van het verhaal. Het veel grotere probleem is dat organisaties digitale verandering nog altijd behandelen alsof ze een softwarepakket kopen, terwijl ze in werkelijkheid ingrijpen in gedrag, routines, macht, cultuur en identiteit.

Te veel organisaties bekijken een IT-project nog altijd als een technisch traject met een beetje communicatie errond. Alsof draagvlak creëren het sluitstuk is van het project. Alsof weerstand een lastig nevenverschijnsel is in plaats van een volstrekt voorspelbare reactie op onzekerheid, verlies van controle en bedreigde routines.

Onzichtbaar leiderschap is een van de betrouwbaarste recepten voor mislukking. Wanneer leidinggevenden zich verschuilen achter stuurgroepen, dashboards of externe consultants, voelen medewerkers dat meteen. Wanneer de sturing van de verandering enkel de taak is van een, vaak eenzame, projectmanager en wanneer geen zichtbaar sponsorschap ervaren wordt, zal er geen de sense of urgency zijn op de werkvloer. Weinigen zullen dit project dan als een prioriteit aanvoelen en nog minder zullen zich mede-eigenaar voelen. Dan krijg je het bekende duikbooteffect: na de kick-off verdwijnt het project onder de waterlijn en komt slechts terug boven bij de implementatie.

Organisaties overschatten schromelijk de kracht van rationele communicatie. Men denkt nog te vaak dat weerstand wel zal verdwijnen zodra men de voordelen van het nieuwe systeem netjes uitgelegd is in een presentatie. Helaas werkt ons brein niet zo. In periodes van stress, onzekerheid en vermoeidheid reageren mensen zelden als koele analisten. Ze reageren instinctief, vaak verzameld onder de 3 F-en: fight, flight of freeze. Ze gaan in verzet, negeren de verandering of haken af. Daarom moet je tijd nemen om over de verandering te (blijven) communiceren, inspelen op de gevoelens van de collega’s en de voordelen “voelbaar” te maken. Communicatie moet dus niet alleen zenden, maar ook luisteren.

Storytelling is hierin een belangrijk communicatieinstrument. Mensen moeten de verhalen achter de statistieken voelen. Een (cultuur)verandering van een organisatie start pas wanneer medewerkers zichzelf beginnen te herkennen in het nieuwe verhaal, wanneer ze begrijpen wat er op het spel staat en wanneer ze ervaren dat hun bezorgdheden niet worden weggezet als gezaag maar serieus genomen worden. In de overtuigingsstrategie moet de nadruk moet niet liggen op de “wat” en de “hoe”, maar op het “waarom”.

Over dit thema zijn Daniel Kahneman met “Ons Feilbare Denken” en Simon Sinek met “Start with Why” verplichte literatuur.

Een andere klassieke denkfout is dat elke verandering volledig voorspelbaar en vooraf calculeerbaar moet zijn. Dat is de oude droom van de businesscase: eerst zekerheid, dan investering. Alleen werkt dat in complexe digitale omgevingen steeds minder. Wie vandaag 100 procent zekerheid eist vóór verandering, kiest in feite voor stilstand. Dat betekent niet dat alles vrijblijvend moet worden, wel dat organisaties moeten leren investeren onder onzekerheid, bijsturen onderweg en sneller durven erkennen wanneer een gekozen spoor niet werkt. De klassieke ROI-logica botst daar steeds vaker op haar limieten.

Dat vraagt ook een ander organisatiemodel. Veel digitale systemen zijn immers nooit “af”. Ze leven voort, worden aangepast, geïntegreerd, uitgebreid, weer versimpeld en opnieuw herdacht. De no projects-beweging zit volledig op dat spoor: stabiele productteams met blijvende verantwoordelijkheid zijn in veel contexten zinvoller dan telkens opnieuw tijdelijke projectteams aan te stellen die na oplevering opnieuw verdwijnen. De toekomst van IT ligt wellicht minder in heroïsche megatrajecten en meer in modulaire systemen, interoperabiliteit, continue iteratie en product owners met de nodige mandaten.

De rode draad in dit verhaal is dus niet software, niet governance, zelfs niet het budget. De echte rode draad is de mens. En die mens laat zich nog altijd moeilijk in een Gantt-chart vatten.

Geplaatst in Informatiemanagement, Informatiepsychologie, Management, Technologie | Tags: , , | 1 reactie

Gooi de kracht van verhalen niet weg met het badwater van de desinformatie

National Library of Poland, Public domain, via Wikimedia Commons

Het woord “verhaal” heeft de voorbije jaren een bedenkelijke reputatie gekregen. In debatten over desinformatie klinkt het al snel alsof narratieven per definitie manipulatief zijn, alsof wie een verhaal vertelt noodzakelijkerwijs iets probeert te verdoezelen of te verdraaien. De reflex is dan om terug te grijpen naar data, naar dashboards, naar factchecks en grafieken die objectiviteit moeten uitstralen.

Die reflex is begrijpelijk, maar mogelijk ook misleidend.

In mijn eerdere blogpost Waarom verhalen de wereld draaiende houden argumenteerde ik dat verhalen geen versiering zijn rond feiten, maar het kader waarin mensen betekenis construeren. Zonder narratief blijft informatie los zand. Zonder betekenis ontbreekt richting. Verhalen zijn niet het tegenovergestelde van rationaliteit, ze zijn het vehikel waardoor rationaliteit maatschappelijk functioneel wordt.

Dat inzicht sluit nauw aan bij de analyse van Yuval Noah Harari in zijn boek Nexus. Harari beschrijft hoe menselijke samenlevingen altijd hebben gesteund op gedeelde ficties: religies, naties, geld, mensenrechten, … . Niet omdat ze natuurwetenschappelijke waarheden zijn, maar omdat ze collectieve actie mogelijk maken. Grote groepen mensen kunnen alleen duurzaam samenwerken wanneer ze een gemeenschappelijk verhaal delen dat hun handelen structureert.

Het probleem van vandaag is dus niet dat verhalen bestaan. Het probleem is dat ze circuleren in een informatie-omgeving die fundamenteel uit balans is.

De hoeveelheid data groeit exponentieel. In mijn cursus rond kennis- en informatiebeleid verwees ik regelmatig naar onderzoek dat aantoont hoe kenniswerkers tot 30 à 60 procent van hun tijd besteden aan het zoeken naar informatie KennisEnInformatiebeleid_Les1. Managers lezen wekelijks enorme hoeveelheden tekst. We leven in een permanente stroom van meldingen, updates, feeds en dashboards. Wat bedoeld was om onzekerheid te reduceren, leidt steeds vaker tot cognitieve uitputting.

En precies daar ontstaat ontvankelijkheid voor desinformatie.

In mijn blogpost Wanneer media werkelijkheid maken – lessen uit een gitzwarte nacht analyseerde ik hoe framing, herhaling en emotioneel geladen beelden onze perceptie van realiteit kunnen verschuiven. Niet omdat mensen per definitie irrationeel zijn, maar omdat ons brein onder druk energie probeert te besparen. Wanneer de informatiestroom te groot wordt, schakelen we sneller over op intuïtieve oordelen en grijpen we naar eenvoudige verklaringsmodellen die orde scheppen in complexiteit.

Desinformatie gedijt niet in een vacuüm van feiten, maar in een overvloed aan ongefilterde informatie. Wie cognitief overbelast is, zoekt houvast. En houvast wordt meestal aangeboden in de vorm van een helder, goed gestructureerd verhaal.

Daarom is het een misvatting te denken dat de remedie tegen desinformatie louter meer data of meer correcties is. Feiten zonder narratief verdwijnen in de ruis. Correcties die geen alternatief betekeniskader bieden, blijven hangen in de marge. Een losse factcheck kan een bewering ontkrachten, maar ze vervangt zelden het verhaal dat mensen eerder heeft overtuigd.

Dit is geen pleidooi tegen factchecking of tegen rigoureuze journalistiek. Het is een pleidooi om te erkennen dat informatie pas impact krijgt wanneer ze ingebed is in een betekenisvol narratief.

Goede verhalen reduceren complexiteit zonder ze te vervalsen. Ze verbinden data met context en maken abstracte cijfers concreet. Ze helpen ons informatie te structureren en te memoriseren, waardoor kennis niet alleen wordt geconsumeerd, maar ook geïntegreerd. Een grafiek kan een stijgende lijn tonen, maar een verhaal maakt duidelijk wat die lijn betekent voor echte mensen, in echte situaties, met echte consequenties.

Wie desinformatie wil bestrijden, moet dus meer doen dan onwaarheden ontmaskeren. Er moeten coherente tegenverhalen worden ontwikkeld die recht doen aan de complexiteit van de werkelijkheid en tegelijk cognitief verteerbaar blijven. Narratieven die niet simplificeren tot karikatuur, maar ordenen zonder te vervormen.

De paradox is dat verhalen zowel het instrument van manipulatie als het instrument van emancipatie kunnen zijn. Het verschil zit niet in de vorm, maar in de intentie en de kwaliteit van de constructie. Slechte verhalen polariseren en versimpelen. Goede verhalen verbinden, contextualiseren en verdiepen.

In een tijdperk van informatie-overload hebben mensen geen nood aan nog meer losse feiten, maar aan structuren die hen helpen die feiten te begrijpen en te onthouden. Verhalen kunnen precies dat doen, op voorwaarde dat ze zorgvuldig worden opgebouwd en intellectueel eerlijk blijven.

Wie het publieke debat wil versterken, moet daarom niet het kind met het badwater weggooien. Verhalen zijn geen vijand van waarheid. Mits kritisch en verantwoordelijk gebruikt, zijn ze een noodzakelijke bondgenoot in de strijd tegen desinformatie.

Geplaatst in Desinformatie, Informatiepsychologie | Tags: , , , | Plaats een reactie

Vrij en open is geen hobby. Het is infrastructuur.

In zijn artikel Vrij en open is het antwoord op Big Tech” in Apache legt Jan Walraven iets pijnlijk bloot wat al te vaak onder het tapijt wordt geveegd: Europa is digitaal niet afhankelijk, maar digitaal onderworpen. Niet door brute dwang, wel door gemak, inertie en een hardnekkige mythe dat schaal en geslotenheid synoniem zijn van professionaliteit.

Wie mijn blog de voorbije jaren volgde, zal in het Apache-stuk weinig revolutionairs lezen. Integendeel. Het bevestigt vooral wat al langer zichtbaar is voor wie met informatiebeleid, digitale transformatie of publieke IT bezig is: het probleem is niet technologisch, maar politiek-economisch.

Technologische soevereiniteit is geen productstrategie

Wat Apache scherp benoemt, is dat “technologische soevereiniteit” vandaag vaak gereduceerd wordt tot een slogan. Alsof je dat bereikt door een Europese variant van Google, Microsoft of Amazon te bouwen. Alsof het probleem Amerika is en niet het Big-Tech-model zelf: gesloten ecosystemen, lock-in, extractie van data en macht, en een informationele asymmetrie die haaks staat op democratische controle.

Dat denken is exact dezelfde denkfout die ik in tal van IT-projecten zie terugkeren: schaal verwarren met robuustheid en controle met centralisatie. Het resultaat kennen we intussen maar al te goed: white elephants, mislukte platformen, projecten die technisch “af” zijn maar organisatorisch dood aankomen.

Open source is een andere informatie-architectuur

Open source is in dat verhaal geen romantisch alternatief voor idealisten met sandalen. Het is een andere informatie-architectuur. Eén die beter aansluit bij hoe kennis ontstaat, circuleert en geborgd wordt in complexe organisaties en samenlevingen.

“Open” betekent hier niet: iedereen doet maar wat. Het betekent: transparantie, herbruikbaarheid, auditability en – cruciaal – exit-mogelijkheden. Dat laatste wordt systematisch onderschat. Vendor lock-in is zelden een bewuste keuze; het is bijna altijd het gevolg van korte-termijnoptimalisatie, of moeten we zeggen kortzichtige optimalisatie.

Apache raakt hier een punt dat ik al langer probeer te maken: open source is geen anti-marktoplossing, maar een anti-monopolistisch model. Dat techreuzen meeliften op open source is geen bug, het is een logisch gevolg van “open betekent open”. Het probleem ontstaat pas wanneer overheden en publieke instellingen afhankelijk worden van gesloten lagen bóvenop die open fundamenten.

Commons in plaats van unicorns

De voorbeelden die Apache aanhaalt – Nextcloud, LaSuite, openDesk, Matrix – zijn geen exotische experimenten meer. Het zijn werkende infrastructuren, gedragen door commons-logica, met publieke regie en private uitvoering. Niet schaal om de schaal, maar schaal door samenwerking. Geen unicorn-fetisj, maar duurzaamheid.

En laat ons eerlijk zijn: als we in Europa wél miljarden kunnen vrijmaken voor defensie, maar niet voor digitale infrastructuur die onze democratie, ons onderwijs en onze publieke dienstverlening ondersteunt, dan is dat geen technisch falen. Dat is een politieke keuze.

Het meest veelzeggende zinnetje in het Apache-stuk staat bijna terloops vermeld: “Opensourcesoftware kán niet gekocht worden.” Dat is geen detail, dat is een systeemkenmerk. En precies daarom is open source zo ongemakkelijk voor wie macht, data en besluitvorming wil concentreren.

België: klein land, grote open-source-voetafdruk

Wat in het debat over digitale soevereiniteit opvallend vaak vergeten wordt, is dat België zelf al decennialang een niet te onderschatten rol speelt in de ontwikkeling van open technologie. Open source is hier geen exotische import, maar deels lokaal erfgoed. Denk aan Drupal, dat wereldwijd miljoenen websites aandrijft en werd bedacht door Dries Buytaert toen hij nog student was in Antwerpen. Of aan Odoo, het open ERP-platform van de Belgische ondernemer Fabien Pinckaers, vandaag actief bij honderdduizenden bedrijven wereldwijd en een schoolvoorbeeld van hoe open source en economische levensvatbaarheid perfect kunnen samengaan.

Het punt is niet dat België uitzonderlijk is. Het punt is dat dit bewijst dat open source geen schaalnadeel heeft, geen Angelsaksisch privilege is en geen hobby voor idealisten. Het is een volwassen ontwikkelmodel waarin ook kleinere landen impact kunnen hebben, zolang ze inzetten op kennis, samenwerking en open ecosystemen in plaats van op prestigeprojecten en gesloten oplossingen. Wie vandaag beweert dat Europa of België “te klein” zou zijn voor digitale autonomie, negeert zijn eigen geschiedenis.

De vraag is dus niet of Europa klaar is voor vrije en open software.
De vraag is waarom we nog altijd doen alsof het een keuze is.

Geplaatst in Beleid en politiek, Technologie | Tags: , , , | Plaats een reactie

Waarom IT-projecten (blijven) mislukken: de i-Police-case

Zeilen als metafoor voor digitale transitie …

Toen Rosamunde Van Brakel, professor digitale criminologie aan de VUB, in De Standaard het stopgezette i-Police-project analyseerde, deed ze dat niet als technologe die klaagt over falende software, maar als beleidswetenschapper die een structureel patroon blootlegt. i-Police moest tientallen politiedatabanken en toepassingen integreren in één modern platform. Na jaren werk en honderden miljoenen euro’s bleef vooral desillusie over. Voor Van Brakel is dat geen toeval, maar een symptoom van hoe digitalisering systematisch verkeerd wordt begrepen: als technologisch vraagstuk, terwijl het in werkelijkheid draait om informatie, menselijk gedrag en organisatiecultuur.

Bijna exact een jaar geleden schreef ik over het mislukken van de digitalisering bij de FOD jusititie en in 2022 deelde ik over dit thema hier een eerste analyse. Toch is dit geen exclusief gegeven in de publieke sector, in zowat elke sector waar grootschalige IT- en digitaliseringsprojecten worden opgestart loopt het vaak mis. Dat dit geen buikgevoel is, maar structureel onderbouwd, blijkt uit jarenlang onderzoek. Studies van Independent Project Analysis tonen aan dat 65% van de megaprojecten met een initieel budget boven één miljard dollar als mislukt kan worden beschouwd, gedefinieerd als zware budget- en/of tijdsoverschrijdingen. Zulke ontsporingen zijn niet louter financieel pijnlijk: ze ondergraven de terugverdientijd, verlammen organisaties en hypothekeren het rendement voor jaren.

Het beeld wordt niet rooskleuriger wanneer we kijken naar IT-projecten in het algemeen. Het bekende Chaos Report van de Standish Group toont al jaren een hardnekkig patroon: amper een derde van de IT-projecten kan als echt succesvol worden bestempeld. De helft sleept zich voort als “uitdagend”, met gemiste doelstellingen, vertragingen en budgetoverschrijdingen. Bijna één op vijf faalt compleet. Dat zijn geen randcijfers, dat is systemische mislukking.

Ook McKinsey & Company bevestigt dit patroon met een nog grimmiger statistiek: 84% van de digitale transformaties haalt haar doelstellingen niet. Opvallend is dat McKinsey de oorzaken nauwelijks in technologie situeert, maar net in niet-materiële factoren: cultuur, leiderschap, communicatie, digitale mindset en empowerment van medewerkers. Digitale transformatie blijkt moeilijker dan klassieke verandertrajecten, precies omdat ze dieper ingrijpt in hoe mensen werken, beslissen en betekenis geven.

Daarmee raken we aan de kern van het probleem, en aan wat i-Police exemplarisch maakt. Digitale verandering is geen eenmalige technologische ingreep, maar een continu, menselijk proces. Net als bij zeilen volstaat het niet om een nieuwe boot te kopen; je moet voortdurend bijsturen, reageren op stroming en wind, en accepteren dat je soms vastloopt in de modder. Ironisch genoeg zijn het net die “modderige momenten”, weerstand, twijfel, frictie, …, die aangeven waar echte verandering mogelijk is. Maar precies die signalen worden in veel projecten genegeerd of weggeorganiseerd.

Dit herhaal ik reeds 20 jaar: IT-projecten mislukken zelden omdat de technologie faalt, maar omdat men vertrekt van technological utopianism: het geloof dat technologie op zichzelf problemen zal oplossen. Dat leidt tot een eenzijdige focus op systemen, dashboards en integraties, terwijl de fundamentele vragen vaak uitblijven. Hebben we bepaalde features wel echt nodig? Wie verzorgt de input? Moeten daadwerkelijk alle uitzonderlijke situaties geautomatiseerd worden? Welke informatie is werkelijk bedrijfskritisch? Welke beslissingen willen we ondersteunen? Zijn we het oorspronkelijke doel niet uit het oog verloren?

Wanneer die vragen niet expliciet worden gesteld, ontstaan wat ik elders “digitale witte olifanten” noemde: indrukwekkende, dure systemen die weinig waarde toevoegen. Ze zijn technisch performant, maar inhoudelijk leeg. De technologie, de throughput, overschaduwt vaak de eigenlijke bedoeling: betekenisvolle output. Dat verklaart ook waarom Return on Investment zo vaak tegenvalt. Ontwikkelingskosten worden onderschat, opbrengsten overschat en eenmaal geïmplementeerd blijkt het systeem onvoldoende aangepast aan de reële noden van de organisatie. Zelfs wanneer het kostenplaatje klopt, zijn de verwachtingen vaak zo hoog gespannen dat de ROI onvermijdelijk teleurstelt.

Daar komt nog bij dat de IT-sector kampt met de wet van de verminderde meeropbrengsten: elke bijkomende investering levert relatief minder voordeel op. Ondanks decennia onderzoek bestaat er nog steeds geen eenduidig verband tussen IT-investeringen en organisatieperformantie. Dat fenomeen staat bekend als de productiviteitsparadox. Meer technologie leidt niet automatisch tot meer productiviteit, soms merk je zelfs het omgekeerde.

i-Police past perfect in dat bredere patroon. Niet omdat men te weinig wist, maar omdat men te weinig twijfelde. Omdat men ambitie verwarde met visie . Het project werd gestuurd als een technisch programma, terwijl het in werkelijkheid een diepgaande hertekening van informatie-ecologie, verantwoordelijkheden en vertrouwen vereiste.

Van Brakel roept terecht op om lessen te trekken. Maar die lessen mogen niet beperkt blijven tot betere projectplanning of strakkere aanbestedingen. Zolang digitalisering wordt gezien als een IT-oefening, blijven we dezelfde fouten herhalen. De fundamentele les is eenvoudig en ongemakkelijk tegelijk: succesvolle digitalisering vertrekt niet van technologie, maar van expliciete keuzes over informatie, menselijk gedrag en organisatiecultuur.

Dat dit geen louter theoretisch debat is, blijkt ook uit het feit dat deze thematiek steeds nadrukkelijker opduikt in professionele netwerken en kennisdelingsmomenten. Tijdens de VVBAD-ledendag 2026 zal ik zelf een sessie verzorgen over precies deze problematiek: waarom digitaliserings- en IT-projecten zo vaak mislukken wanneer ze vertrekken van technologie in plaats van informatiebeleid, en hoe organisaties hun informatie-ecologie wél robuust kunnen inrichten. Niet aan de hand van tools of succesverhalen, maar via mislukkingen, paradoxen en ongemakkelijke vragen over cultuur, governance en betekenisgeving.

Als we blijven praten over digitalisering alsof het een technisch optimalisatievraagstuk is, blijven we rond dezelfde cirkel draaien. Pas wanneer we IT-projecten durven benaderen als beleidskeuzes over informatie, macht en vertrouwen, ontstaat er ruimte om echt te leren. i-Police is in dat opzicht geen anomalie, maar een spiegel. En spiegels zijn zelden comfortabel, wel noodzakelijk.

Geplaatst in Beleid en politiek, Cybersecurity, Informatiemanagement, Management | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Wanneer media werkelijkheid maken – lessen uit een gitzwarte nacht

We leven in een tijdperk waarin informatie overvloedig is, maar kritische reflectie schaars. Informatie-overload leidt niet tot kennis maar tot cognitieve kortsluiting. Die paradox vormt de rode draad in meerdere van mijn eerdere blogposts: niet omdat we te weinig weten, maar omdat we te snel denken te weten. Desinformatie ontstaat zelden door leugens alleen, maar vooral door selectie, versnelling en framing.

De uitzending Een gitzwarte nacht van het steeds degelijke Medialogica (https://www.human.nl/) is een scherpe illustratie van dit structureel probleem in onze informatiecultuur.

De uitzending reconstrueert hoe, na de Ajax–Maccabi Tel Aviv-wedstrijd in Amsterdam, een chaotische nacht van geweld en confrontaties vrijwel onmiddellijk werd vertaald naar één dominant frame: dat van een “jodenjacht”. Dat frame verspreidde zich razendsnel, werd internationaal opgepikt en kreeg politieke zwaarte nog vóór er sprake was van grondige verificatie of context. Het mechanisme is bekend, maar daarom niet minder problematisch: wie het eerste verhaal vertelt, bepaalt niet alleen de toon, maar ook het pad naar het denkbare vervolg.

Wat Medialogica scherp blootlegt, is hoe dat narratief tot stand kwam: via losse videofragmenten zonder context, verklaringen zonder verificatie en een journalistiek ecosysteem waarin snelheid wordt beloond en twijfel als zwakte geldt. Dat sluit perfect aan bij wat ik eerder fake news noemde: niet noodzakelijk verzonnen informatie, maar onvolledige informatie die zich voordoet als totaalbeeld.

Onder dat proces liggen hardnekkige aannames die zelden nog expliciet worden gemaakt. Dat beelden voor zichzelf spreken. Dat ooggetuigen betrouwbare vertellers zijn. Dat “later nuanceren” geen schade aanricht. Dat morele verontwaardiging een vorm van bewijs is. Het zijn aannames die afzonderlijk al wankel zijn, maar samen een bijzonder efficiënt narratief-machine vormen.

Wie dit louter als een journalistieke discussie ziet, mist het bredere plaatje. Dit is geen verhaal over slechte journalisten of kwade wil, maar over informatie-ecologie. In zo’n ecologie overleven niet de meest accurate verhalen, maar de meest deelbare. Woorden worden morele wapens, beelden fungeren als bewijs, en complexiteit is een bug, geen feature. Zoals ik eerder schreef: informatie-overload maakt ons niet sceptischer, maar juist gevoeliger voor simplificatie.

Dat patroon zien we overal terug. In criminaliteitsdebatten waar perceptie structureel losstaat van cijfers. In pandemische communicatie waar vroege beelden jarenlang blijven doorwerken. In internationale conflicten die steevast herleid worden tot morele zwart-witverhalen. Steeds opnieuw wint het verhaal dat het snelst morele orde schept.

De ongemakkelijke les van Een gitzwarte nacht is dus niet dat media fouten maken, dat doen ze altijd, maar dat wij collectief nauwelijks nog in staat zijn om afstand te nemen en kritisch te reflecteren. We verwarren het eerste verhaal met waarheid, snelheid met betrouwbaarheid en morele helderheid met kennis. En zolang dat zo blijft, zullen gitzwarte nachten zich blijven herhalen, niet alleen op straat, maar vooral in ons hoofd.

Misschien is de echte vraag daarom niet hoe media het beter moeten doen, maar hoe wij als publiek kunnen leren leven met onzekerheid zonder haar onmiddellijk te reduceren. Minder verontwaardiging als reflex. Meer traagheid als deugd. En vooral: het besef dat wie te snel begrijpt, meestal te weinig heeft begrepen.

Geplaatst in Desinformatie, Media | Tags: , , , | 1 reactie

Bier als spiegel van verzet

Oud Bruin – Brouwerij ’t Verzet

Ergens, aan een houten tafel in een rokerige herberg, begint het allemaal. Niet met een pamflet of een barricade, maar met discussie bij een glas.

Bier is zelden zomaar bier geweest. Doorheen de geschiedenis fungeert het als een sociale katalysator: goedkoop, gedeeld en verbonden met gesprek, gemeenschap en verzet. Waar wijn eeuwenlang het privilege was van elite en clerus, stroomde bier door het dagelijkse leven van het volk. In de gelagzalen en aan de toog verminderde de angst voor gezag en maakte het plaats voor discussie, ongehoorzaamheid en dromen van een meer egalitaire samenleving. Bier is daarmee geen neutrale drank, maar een activistisch medium.

Die sociale betekenis is oud. In het Mesopotamische Hymn to Ninkasi (ca. 1800 v.Chr.) wordt bier bezongen als een goddelijke gave die mensen samenbrengt en het hart opent. Wat later “liquid bread” zou heten, was vooral een reden om te delen, even te genieten en te praten. Bier oversteeg klassen en standen: arbeiders en boeren mengden zich in discussies met intelligentsia en burgerij. De herberg fungeerde daarbij als een pre-institutionele gelijkheidsruimte waarin sociale hiërarchieën tijdelijk werden opgeschort.

In de middeleeuwen groeit dit ritueel uit tot infrastructuur. De herberg wordt het dorpsplein onder dak, een plek waar identiteit, solidariteit en macht worden onderhandeld. Bierproductie, aanvankelijk een huiselijke activiteit vaak uitgevoerd door vrouwen, wordt vanaf de 12de eeuw steeds meer een handelsproduct. Volgens bierhistoricus R.W. Unger markeert dit geen loutere economische vooruitgang, maar een machtsverschuiving. Bier wordt te belangrijk om informeel te blijven en raakt verstrikt in regelgeving, accijnzen en institutionele controle.

Stedelijke overheden leggen bierverordeningen op, officieel met de bezorgdheid over over kwaliteit en gezondheid, maar de onderliggende drijfveer is fiscale en politieke controle. Accijnzen vereisen overzicht, overzicht vereist structuur, en structuur leidt tot uitsluiting. Zo ontstaan brouwersgilden, die achteraf vaak als trotse ambachtsorganisaties worden voorgesteld, maar in de praktijk functioneren als tussenschakel tussen bestuur en producent. Wie binnen is, geniet bescherming; wie buiten valt, vrouwen, kleine brouwers, plattelandsproducenten, verdwijnt uit het zicht en uiteindelijk uit de markt.

In Engeland tijdens de 13e eeuw werd via de Assize of of bread and Ale de prijs en kwaliteit van de graanproducten, dus ook het bier, gereguleerd, maar bepaalde ook wie mocht verkopen. Dat waren in de praktijk vaak (alleenstaande) vrouwen: de zogenaamde alewives. Zij weigerden zich neer te leggen bij deze regelgeving en brouwden, ondanks de straffen, koppig door. Tot de alewife verdwijnt uit het ambacht en met haar de vrouwelijke economische autonomie.

In de Vlaamse steden, vooral in Gent, was het vanaf de late middeleeuwen nooit rustig. In de Bourgondische periode (15e eeuw) liepen de spanningen hoog op door de machtscentralisatie en hoge belastingen van de hertogen, waaronder accijnzen op gruit (of gruut). Dat met gruutrechten veel geld te verdienen viel, kunnen we nog steeds bewonderen in het Gruuthuuse in Brugge.

In het Keulen van de 14e eeuw wordt het gebruik van hop een daad van ongehoorzaamheid. Het gebruik ervan ondermijnt het stedelijke gruutmonopolie en wordt door de aartsbisschop verboden. Brouwers gehoorzamen niet: ze brouwen ’s nachts, buiten de muren, en verkopen via herbergiers die het risico aanvaarden. De aanhoudende revoltes zullen één van de grondslagen zijn tot het Reinheitsgebot, opnieuw met kwaliteit en gezondheid als de officiële reden. Door ingrediënten te beperken tot water, gerst en hop worden regionale tradities en alternatieve praktijken illegaal. Wat ooit verzet was, namelijk het gebruik van hop, wordt geïnstitutionaliseerd en gecontroleerd. Verzet werd ingekapseld en herschreven als traditie.

In de 19de eeuw verschuift het strijdtoneel opnieuw. De industrialisering verandert bier in een sociaal instrument binnen een gedisciplineerd arbeidsregime. Nuchterheid en regelmaat worden een arbeidsvoorwaarde. Het industriële pilsbier, licht, helder en gestandaardiseerd, past perfect in dat ritme: ontspanning mag, zolang ze het productieproces niet verstoort. Grote brouwerijen ontwikkelen een paternalistisch model: sociale voorzieningen in ruil voor gedragscontrole.

Toch verdwijnt verzet nooit helemaal. In coöperaties, arbeiderscafés en later in de craft beer-beweging keert het idee van autonomie terug. Van socialistische brouwerijen tot hedendaagse microbrouwers, van umqombothi in Zuid-Afrikaanse townships tot speakeasies tijdens de Amerikaanse drooglegging: telkens wordt bier opnieuw een vorm van gemeenschap en tegenmacht.

De geschiedenis van bier is zo een geschiedenis van zachte weerstand. Geen barricades, maar café-tafels.

Geplaatst in Bier, Geschiedenis | Tags: , , , , , , | Plaats een reactie